Verpleegkundig

Wij zijn derdejaars studenten Verpleegkunde van het Hoornbeeck College, en
wij
doen een kwaliteitsonderzoek. Hierbij hebben we als hoofdvraag: Kun je
door
een goede verpleegkundige begeleiding euthanasie bij voltooid leven
voorkomen? Nu is onze vraag hoe jullie visie hierop is en of jullie nog
informatie voor ons hebben.

 

Een mooie vraag bij een actueel onderwerp. Een onderwerp dat niet alleen in de politiek of in de zorg speelt, maar ook steeds meer in de maatschappij zelf leeft. Ik zal proberen jullie een aantal handreikingen te doen.

Jullie vraag: ‘Kun je door een goede verpleegkundige begeleiding euthanasie bij voltooid leven voorkomen’ zou ik proberen te specificeren. Willen jullie onderzoeken of je euthanasie door goede verpleegkundige begeleiding kan voorkomen bij mensen (patiënten) die ernstig ziek zijn of is jullie vraag breder naar de actuele toepassing ervan, namelijk van mensen die hun leven willen beëindigen ongeacht of ze ziek zijn of niet?

Eerst een paar vragen met bijbehorende kernwoorden. Deze zijn van belang in de beantwoording van de hoofdvraag.
• Welke redenen zijn er voor levensbeëindiging?
o groeiende afhankelijkheid
o verlies autonomie en identiteit
o vervreemding van de wereld (alleen voelen)
o angst voor afhankelijkheid, onzekerheid en schaamte over lichamelijke aftakeling
o iemand vindt het ‘gewoon genoeg’, ‘is levensmoe’
• Welke problemen liggen er verder aan ten grondslag?
o Eenzaamheid, rouw, ouderdom, oudermishandeling, depressiviteit, woon- en leefomstandigheden, zorgbehoefte en –aanbod.
• Welke rol heb ik als verpleegkundige (in begeleiding vooraf)
o Werkvelden (AGZ, MGZ, GGZ)
o Signalering
o Bespreekbaar maken
• Vanuit welke visie leef en werk ik als verpleegkundige
o Bijbel
o (Christelijke) Beroepscode
o Per definitie geen actief levensbeëindigend handelen
o Respecteren van ‘autonome keuze’?
• Welke visie zal ik tegenkomen bij de patiënt/cliënt/bewoner
o Ook een Bijbelse visie/christelijke achtergrond
o Visie op waarde en zin van het leven en van ouderdom, betekenis van ziekte, dood en lijden
o Visie op autonomie
• Invulling ruimte en speelveld binnen werkveld/instelling van verpleegkundige

Ja, je kan soms door goede (verpleegkundige) begeleiding euthanasie bij het ervaren van voltooid leven voorkomen.
Veel vragen om euthanasie komen voort uit uitzichtloos en ondraaglijk lijden, gevoel van verlies van ‘kwaliteit van/waardig leven’ maar ook uit eenzaamheid en depressie.
Kun jij als zorgverlener goed signaleren en problemen bespreekbaar maken? Kun jij open vragen stellen en vervolgens echt luisteren? Stel jij de vraag: ‘hoe komt het dat u nu een zinloosheid van uw leven ervaart? Vroegtijdig signaleren en bespreken van zingevingsproblematiek kán ervoor zorgen dat een zorgvrager zich gehoord voelt. Interventies, samen met de zorgvrager, andere zorgverleners en de omgeving van de zorgvrager kúnnen ertoe leiden dat deze zich minder eenzaam voelt, zich (weer) waardevol voelt en dat deze gezien wordt. Zorgvragers kunnen een enorm schrikbeeld hebben van het ouder worden en zodoende een angst hebben voor de mogelijk komende afhankelijkheid, kwetsbaarheid, eenzaamheid en het gevoel niet meer nodig zijn in de maatschappij  ontwikkelen. De verpleegkundige zou in biddende afhankelijkheid iets kunnen laten zien van Gods barmhartigheid, iets van de beschermwaardigheid en de kostbaarheid van het leven, ondanks de (ervaren) kwaliteitsverlies van leven. Heeft de zorgvrager (euthanasievrager) nog alternatieven voor de hulp bij zelfdoding bij het ervaren van zinloosheid van het leven? Een zorgverlener kan hierin soms een betekenende rol in spelen. Soms kan (verwijzen naar) psychosociale hulpverlening deels het probleem oplossen. Alleen zeggen dat iemand waardevol is en dat het leven zin heeft, werkt contraproductief als degene niet voelt dat hij of zij waardevol is. Het is daarom belangrijk om juist bespreekbaar te maken datgene wat je als zorgverlener ziet of niet ziet en gevoelens en uitingen niet te bagatelliseren. De zorgverlener kan zeker bijdragen in het verminderen van de gevoelde onmacht, de eenzaamheid, het ervaren van minderwaardigheid en hiermee de visie op leven en op het lijden positief veranderen. (De vraag tot) euthanasie kan hiermee worden voorkomen of uitgesteld.

Nee, je kan door goede (verpleegkundige) begeleiding euthanasie bij het ervaren van voltooid leven meestal niet voorkomen.
Christenen gaan als het goed is ervan uit dat het menselijk leven een geschenk van God als Schepper, Onderhouder en Beschikker van het leven is. De dood is enerzijds de straf op de zonde en is anderzijds voor de gelovige ook een doorgang naar het eeuwige leven met Christus (Romeinen 6:23). Voor de ongelovige is de dood echter een doorgang naar het eeuwige lijden. Het zesde gebod bevat naast een verbod om te doden ook een positief gebod. Namelijk ‘dat wij onze naaste liefhebben als onszelf en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade zoveel als ons mogelijk is, afwenden en ook onze vijanden goeddoen (H.C. vr en antw. 107). De ongelovige zorgvrager mist de Bijbelse troost in lijden en sterven, mogelijk zonder dit te beseffen. De christelijke zorgverlener zal dan ook bidden (en tonen) dat God genadig is en het hart kan openen en veranderen. De eerste professionele taak van de zorgverlener is het zoveel mogelijk voorkomen en verlichten van (verder) lichamelijk en geestelijk lijden. Daarin past wel het wijzen van de patiënt op de mogelijkheid van pastorale hulp (Daverschot & Van Dijk, 2008).
De mens wil ten diepste autonoom (zichzelf tot wet) zijn en zelfbeschikkend kunnen handelen, zonder verantwoording te hoeven geven aan God of de naaste (zelfbeschikkingsrecht). In de samenleving, dus ook bij de zorgvragers, zal in toenemende  mate naar voren komen dat zingeving en zinloosheid alleen individueel bepaald worden en dat anderen daar niets over te zeggen hebben.
Veel zorgvragers/euthanasievragers zullen al lange tijd hebben nagedacht over hun (laatste) wil en het eventuele verzoek om levensbeëindiging. Veel zorgvragers zullen alle voor- en nadelen van levensbeëindiging al hebben afgewogen en hebben geen behoefte aan zorgverleners die een andere visie hebben op het leven, het lijden en het sterven. Er zijn ook zeker positieve ervaringen waarbij zorgvragers weer meer betekenis zien van het leven. Maar een seculiere euthanasievrager die zichzelf als het ware als god stelt, wil zelf bepalen wat hij met zijn leven doet ‘nu ik dat nog kan’. Euthanasievragers die een arbeidzaam leven hebben gehad, nu alleen thuis zijn, wel of niet immobiel, misschien wel geen kinderen hebben, al hun familie hebben overleefd, beginnend dementerend zijn of misschien al een ernstige psychiatrische (‘uitbehandelde’) ziekte hebben, wachten niet altijd op een hulpverlener die goedbedoeld (eventueel vanuit christelijke (prolife) intentie) het gesprek aangaat om hun visie te veranderen. Voor hen zou dit namelijk alleen maar uitstel of verlening van het lijden op aarde betekenen.

Conclusie
Gelukkig is er naast de orthodoxe kerken en kringen (protestant, rooms, joods etc.) ook nog een groep mensen die euthanasie weliswaar niet vanuit Bijbelse principes afwijst, maar afwijst op grond van het principe dat een mens ‘respect voor het leven moet hebben’. Gelukkig is euthanasie nog ‘géén normaal medisch handelen’ en is een zorgverlener niet verplicht euthanasie toe te passen of erbij te helpen. Daarnaast is het nog een zegen dat ok de artsenfederatie KNMG, weliswaar niet met Bijbelse redenen, tegen een nieuwe ‘voltooid-leven-wet’ is. De KNMG pleit er ook voor dat de regering investeert in oplossingen voor problemen zoals het ervaren van eenzaamheid en zinloosheid van het leven.

Elke zorgverlener heeft de plicht om de patiënt de beste zorg te verlenen en streeft naar lichamelijk, psychisch, geestelijk en sociaal welzijn van de zorgvrager. Dit houdt onder andere het volgende in:
• Het bevorderen en het herstellen van de gezondheid
• Voorkomen van ziekte
• Het handhaven van de bestaande toestand, indien verder herstel of verbetering niet te verwachten is
• Het verlichten van lijden en adequate begeleiding in de stervensfase
De zorgverlener zal dan ook oog hebben voor eerder genoemde problemen en er alles aan proberen te doen om hier samen met de zorgvrager, zijn of haar omgeving en andere zorgverleners verbetering in te krijgen.
De christelijke zorgverlener zou daarnaast in biddende afhankelijkheid iets kunnen laten zien van Gods barmhartigheid, iets van de beschermwaardigheid en de kostbaarheid van het leven, ondanks de (ervaren) kwaliteitsverlies van leven.
Ik denk dat we één belangrijkste ‘interventie’ voorop moeten stellen. Het gebed. Het belangrijkste wapen van de christen. Niet om het bidden van deze christen, maar om de God van het gebed die aanbeden wíl zijn.  God is een God die leeft en regeert en ook vandaag nog wonderen werkt! Dan is er toch nog hoop.

Voor meer informatie kunnen jullie bijvoorbeeld kijken op de website van organisaties zoals de RMU, NPV en Prof.dr. G.A. Lindeboom Instituut.
Daarnaast zijn er tal van (christelijke) boeken en brochures waarin veel informatie staat dat jullie kunnen gebruiken, een paar voorbeelden:
• (Christelijke) beroepscode
• Agteresch, H.J (2003) Als grenzen vervagen. Houten: Den Hertog B.V.
• Daverschot, M. & Dijk, E.P. van,. (2008) Euthanasie in de Gezondheidszorg. Zwolle; Juridisch Adviesbureau Gezondheidszorg (via website FebeZorg).
• Cusveller, B.S., Ridder, N.A. de, & Jochemsen, H. (2003) Christelijke oriëntatie in medisch-ethische onderwerpen. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn Motief. (Lindeboomreeks)

 

Graag zou ik uw oordeel/mening/advies vernemen inzake de volgende casus.
Een verzorgende IG in de thuiszorg is uit principe tegen vaccinatie, waaronder de Hepatitis B-vaccinatie. Het protocol van de organisatie waarbij de verzorgende werkt, schrijft voor dat bij een prikincident zij de Hepatitis B-vaccinatie dient te ontvangen. Wat kan de verzorgende, op het moment dat zij een prikincident heeft, nu het beste doen volgens u? Wat zou u adviseren?
Bijvoorbeeld: na een prikincident bloedonderzoek laten doen of er besmetting heeft plaatsgevonden en bij geen besmetting geen vaccinatie?
Graag verneem ik uw oordeel/mening/advies in dezen? Bij voorbaat dank voor uw reactie!

 

Bedankt voor uw vraag!
Iedere instelling hoort een beleid of protocol te hebben over hoe te handelen bij een prikaccident en het is goed om hiervan op de hoogte te zijn.
Het landelijke beleid is als volgt: na een prikaccident wordt er altijd bloedonderzoek gedaan bij de betreffende persoon, wat overigens ook gedaan wordt bij gevaccineerde personen voor Hepatitis-B. Er wordt dan nagegaan hoe de titer bepaling van de anti-Hepatitis-B is, wat betekent dat wordt nagegaan of de persoon voldoende beschermd is.
Er wordt een verschil gemaakt tussen prikaccidenten: tussen een hoogrisicoaccident (bijvoorbeeld met een intramusculaire naald) en een laagrisicoaccident (bijvoorbeeld met een insulinenaaldje). Bij laagrisicoaccidenten moet echter ook altijd op hepatitis-B gescreend worden. Bij een hoogrisicoaccident wordt dit aangevuld met hepatitis-C en HIV.
Bij een hoogrisicoaccident en bij ongevaccineerde of onbeschermde personen voor Hepatitis-B, wordt ook, na toestemming van de patiënt, bloedonderzoek gedaan bij de patiënt (de bron). Indien de bron negatief is, hoeft er geen verdere actie te volgen, al wordt in de richtlijn wel genoemd dat dit in een werksituatie een reden kan zijn voor vaccinatie vanuit preventief oogpunt.
Brononderzoek kan achterwege blijven als het slachtoffer ongeacht de uitkomst van het onderzoek zal starten met vaccinatie tegen hepatitis B, bijvoorbeeld in het kader van beroepsrisico. Indien de bron niet beschikbaar is of niet wil meewerken aan het onderzoek wordt deze beschouwd als Hepatitis-B positief.
Indien de bron positief is of onbekend is met een hoog risico, is er wel indicatie voor vaccinatie, waarna de persoon opnieuw bloedonderzoek zal moeten doen om te controleren op de titer bepaling of er voldoende bescherming is.
Er is een landelijke richtlijn van de RIVM op internet te vinden, zie de volgende link:

http://www.rivm.nl/Onderwerpen/P/Prikaccidenten

Als advies voor uw vraag zou ik het volgende aanraden: in geval van een prikaccident bereid zijn tot bloedonderzoek en hierna het brononderzoek af te wachten. In het geval van de thuiszorg is de bron in principe altijd bekend en gaat het ook lang niet altijd om hoog risico patiënten (intraveneuze drugsgebruikers, etc.). Indien de bron positief blijkt (of niet bekend is en waarschijnlijk een hoog risico patiënt is), is er een gegronde reden om tot vaccinatie over te gaan. Indien de bron negatief is, hoeft de persoon niet gevaccineerd te worden en kan hierop een beroep gedaan worden op de bovengenoemde richtlijn. Ik kan me wel voorstellen dat er tot alle uitslagen bekend is, er tijdelijk niet gewerkt mag worden door de verzorgende, om een mogelijke besmetting te voorkomen.

Ik hoop dat u vraag zo voldoende beantwoord is!

 

Hartelijk dank voor uw antwoord. Veel is duidelijk! Ik mis alleen de principiële kant. Mijns inziens blijft er bezwaar tegen vaccinatie bestaan
zolang niet duidelijk is dat er daadwerkelijk van besmetting sprake is. Is er wel van besmetting sprake, dan kan vaccinatie als een geneesmiddel gezien
worden. Vanuit die gedachten zou ik bij een prikincident ervoor willen kiezen om alleen bloedonderzoek te laten doen. Indien daaruit komt dat geen besmetting heeft plaatsgevonden, dan geen vaccinatie. Daarom heb ik enkele aanvullende vragen aan u:

-  Het is toch via bloedonderzoek vast te stellen of wel of niet besmetting heeft plaatsgevonden?
-  Is het u bekend of deze alternatieve route door meer personen gevolgd is/wordt?
-  Maak ik kans om de instelling hierin mee te krijgen?

U zou mij er zonder meer mee helpen als u deze aanvullende vragen nog zou willen beantwoorden.

 

Bedankt voor uw reactie. Uw vragen zijn begrijpelijk en diepgaand. Ter verduidelijking: indien er echt besmetting heeft plaatsgevonden en de verzorgende blijkt hepatitis-B te hebben, heeft vaccinatie als geneesmiddel geen zin. Een vaccinatie bevat namelijk antistoffen en is geen behandeling.

Indien uit bloedonderzoek blijkt dat de verzorgende geen hepatitis-B heeft, hoeft er in principe niets te gebeuren. Het enige verschil is als de bron positief is, dus hepatitis-B heeft, en er heeft van die persoon daadwerkelijk een prikaccident plaats gevonden. Het kan zijn dat het bloedonderzoek bij de verzorgende, direct na het prikaccident, uitwijst geen antistoffen te hebben en geen hepatitis-B virus bij zich te dragen. In dit geval benoemt de richtlijn dat de persoon wél gevaccineerd moet worden .
Deze vaccinatie moet dan zo snel mogelijk gegeven worden, omdat de effectiviteit ervan pas na één tot drie maanden tot stand komt. Door na het prikaccident snel te vaccineren, verklein je de kans op het daadwerkelijk ontwikkelen van hepatitis-B en het ziek worden van het hepatitis-B virus.
Het blijft dan inderdaad preventief om dit alsnog te doen, al heeft er dan wel daadwerkelijk een hoogrisico plaatsgevonden. Deze afweging zult u op dat moment zelf moeten maken. Of de instelling hierin mee zal gaan, is de grote vraag, omdat ze dan wel een heel groot risico nemen. Niet alleen voor hun werknemer, maar vooral ook uit belang voor de overige zorgvragers die door de verzorgende besmet kunnen worden.

Ik kan me persoonlijk voorstellen dat u in zo’n situatie ervoor kiest om wel te vaccineren, omdat er sprake is van een prikaccident van een besmette persoon. Zo’n situatie zou u kunnen vergelijken met een tetanusinjectie na een val op straat met een open wond. Het blijft enerzijds preventief, anderzijds is er wel sprake van een situatie of onderliggend lijden waarop gereageerd wordt. Of een persoon met gips na een beenbreuk, die elke dag een prik krijgt om trombose te voorkomen. Dit is inderdaad ook preventief, maar er is wel sprake van een gebeurtenis en onderliggend lijden.
Het blijven moeilijke zaken, waarop iedereen toch persoonlijk, naar eer en geweten, voor Gods aangezicht, een beslissing moeten nemen. Als Febe hebben wij nooit eerder dergelijke, diepgaande vragen over de hepatitis-B vaccinatie gekregen en is ons niet bekend hoe andere mensen hiermee omgaan.