Algemeen

Zijn er wijzigingen opgetreden in het wettelijke beleid t.a.v. Hepatitis B vaccinatie? Dit n.a.v. vragen aan de vereniging Febe bij afwijzingen bij sollicitaties (o.a. bij de thuiszorg).

Op bovenstaande vraag is geprobeerd antwoord te vinden door het nagaan van diverse bronnen. De inhoud van deze bronnen wordt hieronder weergegeven met bronvermelding. 

 

Is inenting wettelijk verplicht?
Volgens de artsenorganisatie KNMG is wettelijke verplichting niet haalbaar. Hooguit is er sprake van een ‘morele vaccinatieplicht’. Gezondheidszorgwerkers zijn er om patiënten beter te maken en mogen nooit een gevaar voor hun gezondheid zijn. Vaccinatieplicht is in strijd met het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en het zelfbeschikkingsrecht, zoals vastgelegd in de Grondwet (art. 10 en 11) en in internationale verdragen.

(bron RMU: www.gewetensbezwaar.nl).

 

Er is verschil tussen inenting tegen een ziekte als polio, en inenting tegen Hepatitis B: tegen polio etc. wordt het grootste gedeelte van de Nederlandse bevolking ingeënt, dus de enkele niet-ingeënte werknemer loopt hooguit zelf gevaar, maar vormt geen gevaar voor de patiëntenpopulatie van de instelling. De niet-ingeënte medewerker vormt hooguit voor niet-ingeënte patiënten een gevaar. Dit valt echter buiten de aansprakelijkheid van de instelling. Voor Hepatitis B ligt dit anders: er kan niet uitgegaan worden van een veronderstelde algemene immuniteit, en in de instelling kan een concreet verhoogd risico heersen om Hepatitis B op te lopen. De instelling is in dat geval verplicht om het risico voor de patiënt zo klein mogelijk te houden en een maatregel die daar direct uit voortvloeit, is vaccinatie. Het gaat uit van goed-werkgeverschap om bij het opstellen van nieuw beleid om rekening te houden met de reeds aanwezige niet-ingeënte werknemers.

(bron RMU: www.gewetensbezwaar.nl).

 

Een werkgever of een opleidingsinstituut mag een hepatitis B vaccinatie NIET verplicht stellen. 
Wel mag van degene die de vaccinatie weigert, worden verlangd dat hij/zij meewerkt aan een dragerschapstest naar het Hepatitis B virus. Dit is beschreven in paragraaf 2.5 van de Landelijke Richtlijn Preventie Iatrogene Hepatitis B, augustus 2012, Landelijke coördinatie infectiebestrijding, RIVM-Centrum infectieziektebestrijding.

(bron Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken: www.nvkp.nl)

 

richtlijn 2012: (met link naar de  richtlijn)

2.5 Beleid ten aanzien van niet-gevaccineerd risicovormend personeel

  • Een niet-gevaccineerd persoon (die niet immuun is vanwege geklaarde Hepatitis B-infectie), mag risicohandelingen verrichten mits hij of zij elk kwartaal getest wordt op HBsAg, waarbij het  testresultaat negatief moet zijn.
  • Het niet-ondergaan van HBV-vaccinatie door een gezondheidszorgwerker die risicohandelingen uitvoert, is terug te voeren ofwel op verwijtbare nalatigheid, ofwel op te eerbiedigen medische, religieuze of andere bezwaren, waarbij de medewerker zijn of haar visie stelt boven het risico de patiënt te besmetten.
  • Voorafgaand aan elke opleiding tot een risicovormend beroep moet de (documentatie van de) HBV (immuun)-status van de betrokkene gecontroleerd worden.
  • Voor risicovormend personeel in de gezondheidszorg kan een geldige HBV-vaccinatiestatus of een onderzoek naar HBV-infectie als functie-eis dienen. Een weigering om zich te laten vaccineren of het niet mee willen werken aan een test op HBV-infectie kan een afkeuringsgrond vormen. De werkgever beslist uiteindelijk of niet aannemen voor de functie het gevolg is.

(Bron: Landelijke richtlijn preventie transmissie van Hepatitis B van medisch personeel naar patiënten 3e editie vastgesteld op 10 september 2012)

 

  • Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die uitsluitend risicolopende handelingen verrichten en personen die daarnaast ook risicovormende handelingen verrichten. Risicolopende handelingen zijn handelingen waarbij de werknemer risico loopt om zelf besmet te worden. Bij risicovormende handelingen loopt de medewerker daarnaast ook een risico om, besmet met het Hepatitis B-virus, de patiënt te besmetten (iatrogene besmetting).
  • Tot de risicovormende beroepen behoren onder andere bepaalde snijdend specialisten, radiologen, intensivisten, verloskundigen, OK-personeel, IC-verpleegkundigen, tandartsen en huisartsen die verloskundige zorg verlenen of kleine chirurgische ingrepen uitvoeren. Risicovormende handelingen: handelingen waarbij de werknemer een risico vormt voor de patiënt, omdat er een kans is dat de werknemer patiënten besmet (iatrogene besmetting). Risicohandelingen betreffen vooral handelingen waarbij (gehandschoende) handen binnen lichaamsholten of wonden in contact kunnen komen met scherpe instrumenten, naalden of scherpe weefseldelen (bijvoorbeeld botpunten of gebitselementen) terwijl de handen of vingertoppen niet zichtbaar zijn.
  • Het beleid, zoals beschreven in deze richtlijn, kan praktisch samengevat worden als volgt:

1) Elke risicovormer moet gevaccineerd zijn tegen hepatitis B, met controle van de respons.

2) Bij non- en hypo-responders moet gecontroleerd worden of er infectie is met HBV.

3) In geval van HBV-infectie moet bepaald worden of de risicovormer kan doorwerken.

4) Een risicovormende non/hypo-responder zonder HBV infectie kan doorwerken, mits hij/zij ieder kwartaal gecontroleerd wordt op afwezigheid van HBV infectie.

  • Het niet-ondergaan van HBV-vaccinatie door een gezondheidszorgwerker die risicohandelingen uitvoert, is terug te voeren ofwel op verwijtbare nalatigheid, ofwel op te eerbiedigen medische, religieuze of andere bezwaren, waarbij de medewerker zijn of haar visie stelt boven het risico de patiënt te besmetten.
  • Beleid ten aanzien van niet-gevaccineerd risicovormend personeel: een niet-gevaccineerd persoon (die niet immuun is vanwege geklaarde HBV-infectie), mag risicohandelingen verrichten mits hij of zij elk kwartaal getest wordt op HBsAg, waarbij het testresultaat negatief moet zijn.
  • Voor risicovormend personeel in de gezondheidszorg kan een geldige HBV-vaccinatiestatus of een onderzoek naar HBV-infectie als functie-eis dienen. Een weigering om zich te laten vaccineren of het niet mee willen werken aan een test op HBV-infectie kan een afkeuringsgrond vormen. De werkgever beslist uiteindelijk of niet aannemen voor de functie het gevolg is.

Bron: Praktische samenvatting van de richtlijn preventie iatrogene transmissie HBV (2012, laatste wijziging 17-04-2015). Deze derde editie (2012) vervangt de tweede editie van 2007 en het oorspronkelijke bulletin ‘Preventie Iatrogene Hepatitis B’ van 2002. Het beleid voor preventie van transmissie van Hepatitis B-virus is niet gewijzigd ten opzichte van de vorige edities. Deze editie is beknopter en houdt rekening met de nieuwe behandelopties voor hepatitis B; en adviseert explicieter ten aanzien van de beroepskeuze van een student met HBV-infectie. Het beleid, zoals beschreven in deze richtlijn, kan praktisch samengevat worden als volgt:

  • Elke risicovormer moet gevaccineerd zijn tegen Hepatitis B, met controle van de respons.
  • Bij non- en hypo-responders moet gecontroleerd worden of er infectie is met HBV.
  • In geval van HBV-infectie moet bepaald worden of de risicovormer kan doorwerken.
  • Een risicovormende non/hypo-responder zonder HBV-infectie kan doorwerken, mits hij/zij regelmatig gecontroleerd wordt op afwezigheid van HBV-infectie.

Het belang van vaccinatie van risicovormers en van controle na vaccinatie. Het identificeren van HBV-geïnfecteerde risicovormers is cruciaal voor de preventie van iatrogene HBV-infectie. Vaccinatie tegen Hepatitis B is onmisbaar voor deze preventie, omdat vaccinatie infectie van risicovormers voorkomt; en omdat via de controle na vaccinatie HBV-geïnfecteerde risicovormers

(Bron www.rivm.nl: LCI-richtlijn Hepatitis B Leidraad HBV-vaccinatie voor medewerkers met een beroepsgebonden risico, waarbij ook een weigeringsformulier is opgenomen (november 2013)